Friedrich Boger

Friedrich Karl Boger werd geboren op 24 oktober 1884 in Knittlingen, een stad die destijds bij het Koninkrijk Württemberg, Duitsland, behoorde. De stad ligt ten oosten van Karlsruhe. Friedrich werd op 26 oktober 1884, kort na zijn geboorte, in de Evangelische kerk Leonhardskirche in Knittlingen gedoopt. Zijn ouders, Gottlieb Friedrich Boger en Marie Luise Barth, kregen in totaal drie zoons en vier dochters.

Hoewel Friedrich tot monteur was opgeleid startte hij in 1906 aan zijn opleiding op de Basel Missieschool met personeelsnummer 1790. Na zijn studie werd hij op zending gestuurd naar Kameroen, destijds een Duitse kolonie, waar hij tussen 1912 en 1915 werkte. Tijdens de Eerste Wereldoorlog word Kameroen door de Fransen en de Britten veroverd en Friedrich werd daar tussen 1915 en 1919 geïnterneerd. Na de oorlog, op 18 december 1919, trouwde hij met Helene Breuninger. Zij was geboren op 20 juni 1881 in Backnang, eveneens in het Koninkrijk Württemberg.

Om het zendingswerk voort te zetten besloot hij na de oorlog in dienst te treden van de Utrechtse Zendingsvereniging in Nederland. Een volledige opleiding tot zendeling was niet nodig, omdat hij al in Basel was opgeleid en ervaring had als zendeling. Toch begon hij in oktober 1920 op de Nederlandse Zendingsschool in Oegstgeest waar de studie zich richtte zich op de staatsinrichting in Nederlands-Indië en op het leren van de Nederlandse taal. Na acht maanden rondde hij zijn schooltijd af en hij kreeg op 18 mei 1921, ’s avonds, in de Domkerk in Utrecht, tijdens de 62e jaarvergadering van de vereniging, de algemene instructie uitgereikt en werd als nieuwe zendeling-leraar welkom geheten.

Friedrich en Helene vertrokken op 4 juni 1921 samen vanuit Rotterdam op het stoomschip Insulinde, op weg naar Galela op het eiland Halmahera, het grootste eiland van de Noord-Molukken. Aan deze plaatst verbonden zij hun leven en, buiten het gebruikelijke verlof om, werkten er onophoudelijk aan hun taak: het verspreiden van het evangelie. Hieronder viel ook het opleiding van nieuwe evangelisten.

In 1928 verbleven Friedrich en Helene tijdens hun verlof in Göppingen, Württemberg. Uit de correspondentie tussen Boger en de zendingsdirectie blijkt dat dit verlof was in verband met lichamelijke klachten. Friedrich zelf had wormen en moet een kuur ondergaan. Helene was er blijkbaar minder goed aan toe en had flinke maag- en darmklachten. Ze moest voor een lange behandeling naar Tübingen toe. Hoewel de rust en ontspanning zorgden voor herstel, zouden Friedrich en Helene de jaren erna wel wat gezondheidsklachten houden. Toch keerden ze op 9 april 1929 vanuit Amsterdam per Johan de Witt terug naar Halmahera.

In 1934 schreef Boger over zijn ervaringen met de Islam, waar hij veel mee te maken had. Als protestantse zendeling had hij tot doel om heidenen tot het christendom te bekeren. Maar hij had daarbij ook concurrentie van moslims, toen veelal Mohammedanen genoemd. Er heerste op dat moment een teneur dat het zendingswerk van de Mohammedanen goedkoper was. Zijn artikel in “De Nederlander” van 9 februari 1934 zegt genoeg:

“Wat moeten we nu doen? Moeten we onze goeroes en christenen aanmoedigen in heidense gezinnen te trouwen en weer te scheiden, om zo een paar naamchristenen te winnen? Moeten onze onderwijzers handel drijven zoals de Islamitische Imams, of christenwater verkopen voor ziekten en wonden om aan hun kost te komen?”

Boger wilde hier duidelijk maken dat het protestantse zendingswerk was bedoeld om echte verandering te brengen in de harten en geesten van mensen. En dat islamieten zich in zijn ogen vooral bezig houden met het winnen van aanhangers in naam alleen. Hierbij tolereerden zij dat veel van de oude heidense gebruiken mochten blijven bestaan, zolang iemand zich maar islamiet zou noemen. Boger vond het een onwenselijke situatie.

In 1936 was er opnieuw verlof. Op 13 april vertrok de familie Boger vanuit Galela, eerst per boot naar Makassar en daarna door naar Batavia. Op 6 mei stapten ze opnieuw aan boord van het m.s. Johan de Witt. Op 27 mei ging het echtpaar in Genua van boord en reisden zij per trein verder, eerst naar Göppingen, maar al snel reisde Friedrich alleen door naar Utrecht waar hij de algemene zendingsvergadering bijwoonde. Hij vertelde daar over zijn zendingswerk in Halmahera. Ook bezocht hij Oegstgeest voordat hij terugging naar Göppingen.

Een verlof van één jaar was gebruikelijk, van aankomst tot vertrek. Maar de Bogers kozen ervoor om hun verlof in Duitsland met een maand in te korten, om tijdens hun laatste maand verschillende zendingsposten in Celebes (tegenwoordig Sulawesi) te bezoeken. Tropengenesungsheim in Tübingen had hen beiden “tropenfähig” verklaard, iets waar zij allebei erg opgetogen over waren. Dit betekende zoveel als een gezondheidsverklaring voor arbeid in de tropen. De zending ging akkoord en organiseerde de reis terug. En op 7 april 1937, onder gezag van kapitein B.A. Potjer, vertrok het m.s. Marnix van Sint Allegonde voor zijn reis naar Nederlands-Indië.

In 1938 schreef Friedrich nog over een heftige gebeurtenis. In een dorp werd een vrouw beschuldigd van hekserij door haar buurman wiens kind was gestorven door een ziekte. “Dat moest zijn veroorzaakt voor haar hekserij”, uitte hij. De vrouw klaagde bij het Islamitische dorpshoofd en zei: “Mijn buurman is al 7 jaar in het islamitische geloof, maar hij nog steeds overtuigd dat er zoiets als hekserij bestaat. Als zoiets in jullie geloof nog steeds kan, dan heeft het geen enkele waarde boven onze heidense gebruiken. Dus ik word christen, want daar geloven ze deze heidense dingen niet”. De buurman kreeg een vermaning van het dorpshoofd maar trok zich daar niets van aan. Een paar weken laten wachtte hij zijn buurvrouw op in haar tuin en heeft haar daar vermoord en het lichaam in het bos geworpen. De volgende ochtend liep hij kalm naar het districtshoofd om zijn straf te aanvaarden.

Op 10 mei 1940 werd Boger, net als de meeste andere Duitse mannen, geïnterneerd door de Nederlandse koloniale overheid. Hij werd van zijn woonplaats in Tobelo, op Halmahera, naar Java gebracht. Daar werd hij op het eilandje Onrust geïnterneerd. In de zomer van 1940 werd hij naar de Alasvallei overgeplaatst.

Friedrich Karl Boger stierf op 19 januari 1942. Hij gaat ten onder bij de scheepsramp van de Van Imhoff en werd 57 jaar oud. Zijn vrouw Helene stierf 15 jaar later op 2 augustus 1957. Ze hadden samen geen kinderen.

* Friedrich Karl Boger is geen familie van Wilhem Boger, de tijger van Auschwitz, ondanks een gedeelde achternaam en het feit dat beide mannen in de buurt van elkaar zijn geboren.

Dit portret is samengesteld in samenwerking met Mathijs Valk, die een boek schrijft over o.a. de zending op Sulawesi. Voor aanvullingen of correcties kunt u contact opnemen via info@van-imhoff.com.

 

  • Geboren: 24 oktober 1884
  • Geboorteplaats: Knittlingen, Duitsland
  • Getrouwd met Helene Breuninger
  • Werk: zendeling in de Noord-Molukken