Friedrich Reinicke

Friedrich Reinicke

Friedrich Karl August Reinicke werd geboren op 5 december 1890 in Eisleben in het midden van Duitsland.
In Nederlands-Indië werkte hij als opzichter eerste klasse bij het Mijnbouwbedrijf Bandoeng, in West-Java. Waarschijnlijk was hij al met pensioen toen hij werd geïnterneerd, omdat hij op de slachtofferlijsten vermeld staan als ‘ohne Beruf’ (zonder beroep).

Friedrich was getrouwd met Emilie Christine Wollrabe. Zij was geboren in Pekalongan, aan de Javaanse noordkust, op 27 oktober 1900. Het gezin had zeven kinderen. Ze woonden in Buitenzorg (Bogor), in West-Java.

Op 10 mei 1940 werd Reinicke vanwege zijn Duitse nationaliteit geïnterneerd. Hij werd eerst op het eiland Onrust, voor de baai van Jakarta/Batavia, geïnterneerd en daarna in de Alasvallei in Noord-Sumatra.

Zijn echtgenote Emilie vertrok na de internering van Friedrich eerst naar haar ouders, maar kon met haar zes kinderen daar niet lang blijven. Het zevende kind, dochter Anneke, werd geboren op 31 mei 1940. Zij overleed op 11 juni in het ziekenhuis aan dysenterie.
Emilie en haar kinderen verbleven vanaf het vertrek vanuit haar ouderlijk huis achtereenvolgens in verschillende kampen voor (Duitse) vrouwen, hoewel zij enkel Nederlands sprak, evenals haar kinderen. Het eerste kamp, waar ze ongeveer een jaar verbleven, was in Sindanglaja, gelegen tussen Buitenzorg (Bogor) en de Puncakpas. Vervolgens werd het gezin overgebracht naar het nabij Sukabumi gelegen Tjibadak, in een voormalig hotel. Emilie en haar kinderen kregen hier een eigen kamer. Er was voor de kinderen geen mogelijkheid om onderwijs te volgen.

Friedrich Reinicke was aan boord van de Van Imhoff tijdens de fatale laatste vaart. Hij overleed tijdens de ramp op 19 januari 1942. Emilie kreeg op 20 februari 1942 via het Zwitserse consulaat in Batavia/Jakarta bericht over de vermissing van haar echtgenoot. Zij bevond zich op dat moment nog steeds in Tjibadak, wat inmiddels een Japans ‘beschermingskamp’ was geworden.

 

  • Geboren: 5 december 1890
  • Geboorteplaats: Eisleben, Duitsland
  • Getrouwd met Emilie Wollrabe
  • Het echtpaar had zeven kinderen
  • Werk: opzichter eerste klasse bij het Mijnbouwbedrijf Bandoeng
Familie Strube in 1921
Julius Plamper

Julius Plamper

Julius Plamper is geboren op 9 januari 1891 in Plassdorf, een plaats in Sleeswijk-Holstein in het noorden van Duitsland.
In Nederlands-Indië werkte hij als machinist voor de Ombilinmijn, een steenkolenmijn in West-Sumatra in de buurt van de stad Sawahlunto. Vanaf de steenkolenmijn liep een spoorweg naar Padang aan de kust van Sumatra.

Samen met zijn Indonesische partner Mariah – die zoals veel Indonesiërs geen achternaam had – had Julius twee kinderen: Frans, geboren op 24 oktober 1923, en Anna, geboren op 19 september 1925. Beide kinderen zijn geboren in Mangganie, West-Sumatra. Mariah had met een eerdere partner ook nog een zoon gekregen, Hamid, de halfbroer van Frans en Anna.

Julius werd op 10 mei 1940 door het Nederlandse koloniale gezag geïnterneerd vanwege zijn Duitse afkomst. Zijn zoon Frans was toen net te jong voor internering. Julius overleed tijdens de scheepsramp met de Van Imhoff op 19 januari 1942.

Zoon Frans en dochter Anna vertrokken in 1958 uit Indonesië, toen veel Nederlanders daar niet meer gewenst waren. Frans was in 1948 Nederlander geworden. Hij vertrok naar Nederland en vestigde zich in Den Haag. Frans was in Nederlands-Indië en Indonesië automonteur geweest en oefende dat beroep ook in Nederland uit.

  • Geboren: 9 januari 1891
  • Geboorteplaats: Plassdorf
  • Partner: Mariah
  • Kinderen: Frans (1923) en Anna (1925)
  • Werk: Machinist bij de Ombilinmijn in West-Sumatra
Familie Strube in 1921
‘De ramp met de Van Imhoff’ verwacht in oktober 2025

‘De ramp met de Van Imhoff’ verwacht in oktober 2025

De ramp met de Van Imhoff en het lot van Duitse burgers in Nederlands-Indië 1940-1945 wordt gepresenteerd op 9 oktober 2025. Het boek is vanaf de volgende dag beschikbaar in de (online) boekhandel.  De ramp met de Van Imhoff is geschreven door Ellen Klinkers, Linda Terpstra en Maaike van der Kloet en zal verschijnen bij uitgeverij Boom.
De auteurs zijn voor dit project verbonden aan het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag.

De scheepsramp met de Van Imhoff
Op 19 januari 1942 werd het Nederlandse koopvaardijschip Van Imhoff voor de kust van Sumatra gebombardeerd door een Japans vliegtuig, waarna het in de golven verdween. Aan boord bevonden zich bijna vijfhonderd in Nederlands-Indië woonachtige Duitse mannen die aan het begin van de oorlog door de Nederlandse koloniale overheid waren geïnterneerd. De bewakers en de bemanning van de Van Imhoff brachten zichzelf in veiligheid, zonder zich te bekommeren om de in het ruim opgesloten Duitsers. 411 van hen kwamen om het leven.

Internering van Duitse burgers in Nederlands-Indië
De ramp met de Van Imhoff vertelt het verhaal van deze mannen: hoe zij als vijandelijke onderdanen werden geïnterneerd aan het begin van de oorlog, en hoe hun levens eindigden ten tijde van die verschrikkelijke ramp die plaatsvond tijdens de oorlog tegen Japan in de Pacific. Het boek geeft bovendien een duidelijk beeld van de Duitse gemeenschap in Indonesië vóór de Tweede Wereldoorlog en van de nasleep van de ramp met het koopvaardijschip. Hoe ging de Nederlandse overheid daarmee om? Hoe verliep het debat over schuld en verantwoordelijkheid? En hoe verging het de gezinsleden van de omgekomen mannen?

Boekpresentatie
De presentatie van het boek is zal plaatsvinden op 9 oktober 2025 in Den Haag. Nabestaanden krijgen hiervoor persoonlijk een uitnodiging. Wanneer u nabestaanden bent, maar nog geen uitnodiging hebt ontvangen, stuurt u het best een e-mail sturen naar info@van-imhoff.com.

 

Dit artikel is op 26 september 2025 geüpdatet met informatie over de verschijningsdatum van het boek.

 

Herman Gleichmann

Herman Gleichmann

Herman Friedrich Gleichmann werd geboren op 4 februari 1886 in Coburg, in het Zuid-Duitse Beieren. Hij was, waarschijnlijk als dienstplichtige, militair bij de Duitse marine. Hij was geplaatst in Tsingato, een Duitse koloniale stad aan de noordoostelijke Chinese kust (tegenwoordig Qingdao). In 1914 werd er flinke strijd om Tsingtao geleverd tussen de Duitsers enerzijds en een coalitie van Japanners en Britten anderzijds. Deze enige strijd op land in de Pacific tijdens de Eerste Wereldoorlog werd gewonnen door de Brits-Japanse coalitie. Dit resulteerde in een flink aantal Duitse krijgsgevangenen, onder wie ook Herman Gleichmann.

In 1920 werd een groep zogenaamde ‘Tsingtao-Duitsers’ – voormalige krijgsgevangenen – naar Nederlands-Indië gehaald door de koloniale overheid. Zij werden aangeworven vanwege een personeelstekort in functies voor Europeanen bij onder andere de politie en de spoorwegen. Gleichmann kwam zodoende in 1920 bij de Nederlands-Indische Spoorwegen (NIS) te werken. De spoorwegen hadden hun hoofdkantoor in het gebouw Lawang Sewu (‘duizend deuren’) in Semarang op Java. Hij werkte daar als magazijnmedewerker.

Gleichmanns contract was in eerste instantie tot 1923, waarna hij van plan was om terug naar huis te keren. Door een Britse vriend werd hij echter meegenomen naar het dorp Mijen (Midjen), dat ten zuidwesten van de stad Semarang ligt. Daar kochten zij land voor een plantage. En belangrijker: Herman Gleichmann ontmoette er Mardjiem, op wie hij verliefd werd en met wie hij trouwde in 1924.

Samen hadden zij vier kinderen: Christiana Henriette, geboren in 1925; Corry Frieda, geboren in 1927; Hermann Heinz, geboren in 1932; en Franz Friederich, geboren in 1936. In die tijd werkte Gleichmann als planter en als handelaar in allerlei verschillende gewassen en landbouwproducten. Dat blijkt uit de diverse advertenties waarmee hij in De Locomotief stond: in 1925 verkocht hij houtskool, took en bamboe. In februari 1934 werd Gleichmann door de Raad van Justitie in Semarang failliet verklaard. Kort erna werden bij een ‘openbare verkoop’ zijn eigendommen te koop aangeboden: een perceel en het recht van erfpacht voor kleine landbouw in de desa Wonolopo, in het district Bodja, inclusief een stenen woonhuis en complete bijgebouwen. Eind 1934 leken de zaken weer beter te gaan. Gleichmann plaatste wederom een advertentie in De Locomotief, ditmaal voor diverse soorten bloemzaden, Bogor-ananas en koffiebonen.

Net als vele andere Duitse mannen werd Herman Gleichmann op 10 mei 1940 vanwege zijn nationaliteit geïnterneerd. In welke interneringskampen hij eerst werd opgesloten, is niet bekend. Wel dat hij in de zomer van 1940 overgeplaatst werd naar Lawé Sigalagala, het centrale interneringskamp dat door de koloniale overheid in Noord-Sumatra was gebouwd.

Tijdens de scheepsramp met de Van Imhoff op 19 januari 1942 wist Gleichmann te overleven en op één van de reddingsvlotten of –boten terecht te komen. Toen deze vaartuigen eindelijk de kust van het eiland Nias wisten te bereiken, raakte de reddingsboot in de golven beschadigd. Hierbij raakte Gleichmann, die volgens onderzoeker C. van Heekeren gehandicapt was, ernstig (inwendig) verwond, zodanig dat hij enkele uren later overleed. Een van de eerste dingen die de andere overlevenden moesten doen, was het begraven van Gleichman op of nabij het strand aan de zuidwestkust van Nias. Nog voor hij overleed had Gleichmann aan een vriend – waarschijnlijk de heer Max Quandt, die eveneens uit Semarang kwam – gevraagd om zijn echtgenote Mardjiem te vertellen wat er was gebeurd. Toen Mardjiem later probeerde Hermans graf te vinden, kon echter niemand haar vertellen waar dat was.

 

 

 

  • Geboren op 4 februari 1886 in Coburg, Duitsland
  • Getrouwd met Mardjiem in 1924
  • Kinderen: Christiana (1925), Corry (1927), Hermann (1932) en Franz (1936)
  • Werk: magazijnmedewerker bij de Nederlands-Indische Spoorwegen, later planter
Sepp en Rudi Schöppel

Sepp en Rudi Schöppel

De broers Joseph August Martinus Schöppel (‘Sepp’, geboren 4 september 1910) en Conrad Rudolf Schöppel (‘Rudi’, geboren 23 april 1919) werden beiden in Buitenzorg geboren. Hun ouders waren dr. Friederich ‘Fritz’ August Schöppel, afkomstig uit Graz, Oostenrijk, en Marguerite ‘Maggie’ Leonie Bik, geboren in Batavia (Jakarta) in 1879. Moeder Leonie overleed op 8 juli 1934.  In het gezin hadden Sepp en Rudi ook nog vier zussen.

Vader Friederich was jurist en begin van de twintigste eeuw naar Indonesië gemigreerd. Hij werkte daar tot zijn pensioen als adviseur handelszaken op de Oostenrijkse ambassade te Batavia en daarna als journalist. In 1925 schreef en bewerkte hij de Sundanese (een west-Javaanse taal) legende Lutung Kasarung in het Duits. Deze werd door zijn vrouw Maggie Bik naar het Nederlands vertaald. Voor de geïnteresseerden: het boek is in enkele Nederlandse bibliotheken te raadplegen.

Eind jaren 1930 werkte Sepp als reclametekenaar en Rudi studeerde.

Net als hun vader Fritz hadden zij de Oostenrijkse nationaliteit. Vanwege de Duitse annexatie van Oostenrijk in 1938 werden zij door de koloniale overheid beschouwd als Duitsers. Zij werden om die reden op 10 mei 1940 samen met vele andere Oostenrijkse en Duitse mannen geïnterneerd. Zij kwamen uiteindelijk terecht in het centrale interneringskamp dat voor deze groep was ingericht, in Kutacane in de Alasvallei in Noord-Sumatra.

In het kamp konden zij diverse bezigheden ondernemen, onder andere houtbewerking. Rudi maakte ter gelegenheid van de 73e verjaardag van zijn vader een houten kruisje.

Begin 1942 werden Sepp en Rudi met bijna vijfhonderd anderen ingescheept op de Van Imhoff, die vanuit Sibolga vertrok richting Brits-Indië. Zoals zo velen kwamen zij om bij de scheepsramp op 19 januari 1942. Vader Fritz was vanwege zijn hoge leeftijd niet ingescheept en overleed in september 1946 in Jakarta.

 

 

  • Joseph August Martinus Schöppel, geboren 4 september 1910 in Buitenzorg (Bogor); reclametekenaar
  • Conrad Rudolf Schöppel, geboren: 23 april 1919 in Buitenzorg (Bogor); student