Friedrich Reinicke

Friedrich Reinicke

Friedrich Karl August Reinicke werd geboren op 5 december 1890 in Eisleben in het midden van Duitsland.
In Nederlands-Indië werkte hij als opzichter eerste klasse bij het Mijnbouwbedrijf Bandoeng, in West-Java. Waarschijnlijk was hij al met pensioen toen hij werd geïnterneerd, omdat hij op de slachtofferlijsten vermeld staan als ‘ohne Beruf’ (zonder beroep).

Friedrich was getrouwd met Emilie Christine Wollrabe. Zij was geboren in Pekalongan, aan de Javaanse noordkust, op 27 oktober 1900. Het gezin had zeven kinderen. Ze woonden in Buitenzorg (Bogor), in West-Java.

Op 10 mei 1940 werd Reinicke vanwege zijn Duitse nationaliteit geïnterneerd. Hij werd eerst op het eiland Onrust, voor de baai van Jakarta/Batavia, geïnterneerd en daarna in de Alasvallei in Noord-Sumatra.

Zijn echtgenote Emilie vertrok na de internering van Friedrich eerst naar haar ouders, maar kon met haar zes kinderen daar niet lang blijven. Het zevende kind, dochter Anneke, werd geboren op 31 mei 1940. Zij overleed op 11 juni in het ziekenhuis aan dysenterie.
Emilie en haar kinderen verbleven vanaf het vertrek vanuit haar ouderlijk huis achtereenvolgens in verschillende kampen voor (Duitse) vrouwen, hoewel zij enkel Nederlands sprak, evenals haar kinderen. Het eerste kamp, waar ze ongeveer een jaar verbleven, was in Sindanglaja, gelegen tussen Buitenzorg (Bogor) en de Puncakpas. Vervolgens werd het gezin overgebracht naar het nabij Sukabumi gelegen Tjibadak, in een voormalig hotel. Emilie en haar kinderen kregen hier een eigen kamer. Er was voor de kinderen geen mogelijkheid om onderwijs te volgen.

Friedrich Reinicke was aan boord van de Van Imhoff tijdens de fatale laatste vaart. Hij overleed tijdens de ramp op 19 januari 1942. Emilie kreeg op 20 februari 1942 via het Zwitserse consulaat in Batavia/Jakarta bericht over de vermissing van haar echtgenoot. Zij bevond zich op dat moment nog steeds in Tjibadak, wat inmiddels een Japans ‘beschermingskamp’ was geworden.

 

  • Geboren: 5 december 1890
  • Geboorteplaats: Eisleben, Duitsland
  • Getrouwd met Emilie Wollrabe
  • Het echtpaar had zeven kinderen
  • Werk: opzichter eerste klasse bij het Mijnbouwbedrijf Bandoeng
Familie Strube in 1921
Julius Plamper

Julius Plamper

Julius Plamper is geboren op 9 januari 1891 in Plassdorf, een plaats in Sleeswijk-Holstein in het noorden van Duitsland.
In Nederlands-Indië werkte hij als machinist voor de Ombilinmijn, een steenkolenmijn in West-Sumatra in de buurt van de stad Sawahlunto. Vanaf de steenkolenmijn liep een spoorweg naar Padang aan de kust van Sumatra.

Samen met zijn Indonesische partner Mariah – die zoals veel Indonesiërs geen achternaam had – had Julius twee kinderen: Frans, geboren op 24 oktober 1923, en Anna, geboren op 19 september 1925. Beide kinderen zijn geboren in Mangganie, West-Sumatra. Mariah had met een eerdere partner ook nog een zoon gekregen, Hamid, de halfbroer van Frans en Anna.

Julius werd op 10 mei 1940 door het Nederlandse koloniale gezag geïnterneerd vanwege zijn Duitse afkomst. Zijn zoon Frans was toen net te jong voor internering. Julius overleed tijdens de scheepsramp met de Van Imhoff op 19 januari 1942.

Zoon Frans en dochter Anna vertrokken in 1958 uit Indonesië, toen veel Nederlanders daar niet meer gewenst waren. Frans was in 1948 Nederlander geworden. Hij vertrok naar Nederland en vestigde zich in Den Haag. Frans was in Nederlands-Indië en Indonesië automonteur geweest en oefende dat beroep ook in Nederland uit.

  • Geboren: 9 januari 1891
  • Geboorteplaats: Plassdorf
  • Partner: Mariah
  • Kinderen: Frans (1923) en Anna (1925)
  • Werk: Machinist bij de Ombilinmijn in West-Sumatra
Familie Strube in 1921
Richard Ferdinand Ernst Strube

Richard Ferdinand Ernst Strube

Richard Ferdinand Ernst Strube werd op 18 januari 1889 geboren in Quedlinburg in het noord-oosten van de Harz (Duitsland). Hij was het op één na jongste kind van een gezin met zeven kinderen. Richards vader was loodgieter. Of het kwam door de slechte economische situatie of doordat het avontuur lonkte, Richard besloot als jonge man rond 1906 samen met zijn zeven jaar jongere broer, Ernst Walter Oskar, naar Parijs te gaan.

In Parijs ontmoette Richard de negen jaar oudere Nederlandse Maria Petronella van de Putte. Zij had in Nederland een opleiding tot coupeuse voltooid en zocht haar toekomst in de haute couture. Tijdens de Eerste Wereldoorlog keerden Maria en Richard terug naar het neutrale Nederland waar het veiliger was voor een Duitse man. Ze woonden in Den Haag waar hun twee zoons Ferdinand Richard (1915) en zijn broer Richard Ferdinand (1916) werden geboren in het Academisch Ziekenhuis van Leiden. Maria werkte daar als schoonmaakster, volgens de verhalen omdat de gezondheidszorg er (inclusief bevallingen) voor het personeel grotendeels gratis was. Richard werkte in Den Haag als koopman in kaas. Richard en Maria waren niet getrouwd, waarschijnlijk omdat Maria bij een huwelijk de Duitse nationaliteit zou krijgen wat niet gunstig was in de oorlogssituatie. Richard erkende zijn beide zoons wel.

Na de Eerste Wereldoorlog gaf het jonge gezin gevolg aan hun lang gekoesterde wens om naar Nederlands Indië te gaan. Richard vertrok als eerste om zaken voor te bereiden; Maria volgde een half jaar later (onder de naam ‘mevr. M. Strube’) met de twee jongens. In februari 1921 was het gezin herenigd. De ondernemende Richard werd in 1922 importeur van ‘Oude Vlek jenever en brandewijn’. Vanuit Bogor leverde hij aan diverse horecaondernemingen. In 1925 nam hij ‘De Eerste Bataviasche Bierhal’ over, een etablissement dat ook de catering van grote feesten en partijen verzorgde. Naast de Bierstube realiseerden Maria en Richard in 1928 een moderne dancing naar Europees voorbeeld: Le Perroquet. Na enkele maanden veranderden ze de dancing in een exclusieve club onder de naam Cercle ‘Le Perroquet’. Om lid te worden moet men langs een ballotagecommissie waardoor uiteindelijk alleen de ‘betere klasse’ van Batavia kwam dansen. In de kranten kwam veel kritiek op de nachtclub: het was er donker, lawaaierig en het dansen van de ‘charleston’ zou menige hersenschudding veroorzaken!

Richard, Maria en hun zonen hadden een goed leven in Batavia, waar Richard lid was van de Vrijmetselarij. In de bergen bij Bandung hadden ze een tweede huis met een zwembad en paarden, waar ze geregeld naartoe gingen. In Batavia gingen de kinderen naar de lagere school van de ‘Carpentier Alting Stichting’ (‘de CAS’), een scholengemeenschap opgericht door vrijmetselaar Carpentier-Alting. In 1926 werden Ferdinand en Richard jr. naar Nederland gestuurd voor een ‘Hollandse’ opvoeding bij de ‘Louisa Stichting’ in Den Haag; ook dit internaat was verbonden aan de Vrijmetselarij. Vervolgens gingen de jongens naar een HBS in Scheveningen. In 1930 nam hun moeder hen mee terug naar Batavia waar ze de HBS aan de Koning Willem III School voltooiden in 1934.

Richard had in 1928 zijn Duitse nationaliteit opgegeven, met het voornemen om Nederlander te worden. Rond 1930 had hij daarvoor een verzoekschrift ingediend, maar de behandeling daarvan liet lang op zich wachten. In 1937 trouwden Richard en Maria, mogelijk omdat ze hoopten met deze stap de begeerde naturalisatie voor Richard zou worden bespoedigd.

Na het afronden van de HBS in Batavia vond Ferdinand emplooi bij het Nederlands-Indisch Toeristenbureau en in 1936 vertrok hij weer naar Europa om zijn kennis van het Frans en Duits te verbeteren. Ook zijn broer Richard jr. vertrok in 1934 naar Nederland voor een studie scheikunde aan de Universiteit Utrecht. In 1938 waren beide zoons terug in Batavia. Ferdinand ging werken voor scheepvaartmaatschappij Wm. Müller & Co. en in 1939 bij scheepvaartagenten Nanjo & Veem. Zijn broer Richard jr. keerde begin 1940 terug naar Nederland.

Op 10 mei 1940 vielen de Duitsers Nederland binnen. De Tweede Wereldoorlog was een feit – ook in Nederlands-Indië. Op bevel van de Nederlandse regering werden alle Duitsers geïnterneerd vanwege het vermeende gevaar voor de samenleving. Ook Richard sr. en zijn zoon Ferdinand. Ferdinand beschikte weliswaar over een Nederlands identiteitsbewijs, maar had volgens de regering ‘Duitse sympathieën’ – die trouwens nooit bewezen werden. Ferdinand, wiens identiteitspapieren werden afgenomen, werd met het schip Ophir op 28 december 1941 verscheept naar kamp Dehra Dun in Brits-Indië. Zijn vader Richard volgde op 18 januari aan boord van de Van Imhoff. Op 19 januari 1942, 100 zeemijl buiten de haven van Sibolga, werd het schip door de Japanners gebombardeerd. Richard verdronk, samen met 410 andere Duitse burgergeïnterneerden, in de golven van de Indische Oceaan.

Direct nadat Richard en Ferdinand waren opgepakt werd de Bierstube gesloten en bewaakt door de politie. De Weeskamer verkocht de Bierstube en het belendende restaurant op 29 augustus 1940. Tijdens de Tweede Wereldoorlog verbleef Maria in Bandung. Op 28 januari 1946 werd ze met hulp van de Nederlandse regering teruggestuurd naar Nederland, waar ze totaal berooid arriveerde. Wel kon zij het promotiefeest van haar zoon Richard op 9 juli 1946 aan de Technische Hoogeschool (nu de Technische Universiteit) in Delft bijwonen. Richards broer Ferdinand, oneigenlijk staatloos verklaard, kwam na een lange tocht ook weer terug in Nederland waar hij met veel moeite zijn Nederlanderschap terugkreeg.

  • Geboren: 18 januari 1889
  • Geboorteplaats: Quedlinburg
  • In 1937 getrouwd met Maria Petronella van de Putte (1880) 
  • Kinderen: Ferdinand Richard (1915) en Richard Ferdinand (1916)
  • Werk: eigenaar Bierstube en nachtclub ‘Cercle Le Perroquet’ in Batavia
Familie Strube in 1921
Trouwfoto van Richard en Maria Strube in 1937
Foto van Bayerische Bierstube uit het Bataviaasch Nieuwsblad, 11 mei 1940 met tekst: Een gelegenheid, waar Duitsche vijanden voorlopig hun “Prosit”niet meer zullen doen horen: de Bayerische Bierstube op den Postweg – Politieagenten bewaken den ingang.
Herman Gleichmann

Herman Gleichmann

Herman Friedrich Gleichmann werd geboren op 4 februari 1886 in Coburg, in het Zuid-Duitse Beieren. Hij was, waarschijnlijk als dienstplichtige, militair bij de Duitse marine. Hij was geplaatst in Tsingato, een Duitse koloniale stad aan de noordoostelijke Chinese kust (tegenwoordig Qingdao). In 1914 werd er flinke strijd om Tsingtao geleverd tussen de Duitsers enerzijds en een coalitie van Japanners en Britten anderzijds. Deze enige strijd op land in de Pacific tijdens de Eerste Wereldoorlog werd gewonnen door de Brits-Japanse coalitie. Dit resulteerde in een flink aantal Duitse krijgsgevangenen, onder wie ook Herman Gleichmann.

In 1920 werd een groep zogenaamde ‘Tsingtao-Duitsers’ – voormalige krijgsgevangenen – naar Nederlands-Indië gehaald door de koloniale overheid. Zij werden aangeworven vanwege een personeelstekort in functies voor Europeanen bij onder andere de politie en de spoorwegen. Gleichmann kwam zodoende in 1920 bij de Nederlands-Indische Spoorwegen (NIS) te werken. De spoorwegen hadden hun hoofdkantoor in het gebouw Lawang Sewu (‘duizend deuren’) in Semarang op Java. Hij werkte daar als magazijnmedewerker.

Gleichmanns contract was in eerste instantie tot 1923, waarna hij van plan was om terug naar huis te keren. Door een Britse vriend werd hij echter meegenomen naar het dorp Mijen (Midjen), dat ten zuidwesten van de stad Semarang ligt. Daar kochten zij land voor een plantage. En belangrijker: Herman Gleichmann ontmoette er Mardjiem, op wie hij verliefd werd en met wie hij trouwde in 1924.

Samen hadden zij vier kinderen: Christiana Henriette, geboren in 1925; Corry Frieda, geboren in 1927; Hermann Heinz, geboren in 1932; en Franz Friederich, geboren in 1936. In die tijd werkte Gleichmann als planter en als handelaar in allerlei verschillende gewassen en landbouwproducten. Dat blijkt uit de diverse advertenties waarmee hij in De Locomotief stond: in 1925 verkocht hij houtskool, took en bamboe. In februari 1934 werd Gleichmann door de Raad van Justitie in Semarang failliet verklaard. Kort erna werden bij een ‘openbare verkoop’ zijn eigendommen te koop aangeboden: een perceel en het recht van erfpacht voor kleine landbouw in de desa Wonolopo, in het district Bodja, inclusief een stenen woonhuis en complete bijgebouwen. Eind 1934 leken de zaken weer beter te gaan. Gleichmann plaatste wederom een advertentie in De Locomotief, ditmaal voor diverse soorten bloemzaden, Bogor-ananas en koffiebonen.

Net als vele andere Duitse mannen werd Herman Gleichmann op 10 mei 1940 vanwege zijn nationaliteit geïnterneerd. In welke interneringskampen hij eerst werd opgesloten, is niet bekend. Wel dat hij in de zomer van 1940 overgeplaatst werd naar Lawé Sigalagala, het centrale interneringskamp dat door de koloniale overheid in Noord-Sumatra was gebouwd.

Tijdens de scheepsramp met de Van Imhoff op 19 januari 1942 wist Gleichmann te overleven en op één van de reddingsvlotten of –boten terecht te komen. Toen deze vaartuigen eindelijk de kust van het eiland Nias wisten te bereiken, raakte de reddingsboot in de golven beschadigd. Hierbij raakte Gleichmann, die volgens onderzoeker C. van Heekeren gehandicapt was, ernstig (inwendig) verwond, zodanig dat hij enkele uren later overleed. Een van de eerste dingen die de andere overlevenden moesten doen, was het begraven van Gleichman op of nabij het strand aan de zuidwestkust van Nias. Nog voor hij overleed had Gleichmann aan een vriend – waarschijnlijk de heer Max Quandt, die eveneens uit Semarang kwam – gevraagd om zijn echtgenote Mardjiem te vertellen wat er was gebeurd. Toen Mardjiem later probeerde Hermans graf te vinden, kon echter niemand haar vertellen waar dat was.

 

 

 

  • Geboren op 4 februari 1886 in Coburg, Duitsland
  • Getrouwd met Mardjiem in 1924
  • Kinderen: Christiana (1925), Corry (1927), Hermann (1932) en Franz (1936)
  • Werk: magazijnmedewerker bij de Nederlands-Indische Spoorwegen, later planter
Sepp en Rudi Schöppel

Sepp en Rudi Schöppel

De broers Joseph August Martinus Schöppel (‘Sepp’, geboren 4 september 1910) en Conrad Rudolf Schöppel (‘Rudi’, geboren 23 april 1919) werden beiden in Buitenzorg geboren. Hun ouders waren dr. Friederich ‘Fritz’ August Schöppel, afkomstig uit Graz, Oostenrijk, en Marguerite ‘Maggie’ Leonie Bik, geboren in Batavia (Jakarta) in 1879. Moeder Leonie overleed op 8 juli 1934.  In het gezin hadden Sepp en Rudi ook nog vier zussen.

Vader Friederich was jurist en begin van de twintigste eeuw naar Indonesië gemigreerd. Hij werkte daar tot zijn pensioen als adviseur handelszaken op de Oostenrijkse ambassade te Batavia en daarna als journalist. In 1925 schreef en bewerkte hij de Sundanese (een west-Javaanse taal) legende Lutung Kasarung in het Duits. Deze werd door zijn vrouw Maggie Bik naar het Nederlands vertaald. Voor de geïnteresseerden: het boek is in enkele Nederlandse bibliotheken te raadplegen.

Eind jaren 1930 werkte Sepp als reclametekenaar en Rudi studeerde.

Net als hun vader Fritz hadden zij de Oostenrijkse nationaliteit. Vanwege de Duitse annexatie van Oostenrijk in 1938 werden zij door de koloniale overheid beschouwd als Duitsers. Zij werden om die reden op 10 mei 1940 samen met vele andere Oostenrijkse en Duitse mannen geïnterneerd. Zij kwamen uiteindelijk terecht in het centrale interneringskamp dat voor deze groep was ingericht, in Kutacane in de Alasvallei in Noord-Sumatra.

In het kamp konden zij diverse bezigheden ondernemen, onder andere houtbewerking. Rudi maakte ter gelegenheid van de 73e verjaardag van zijn vader een houten kruisje.

Begin 1942 werden Sepp en Rudi met bijna vijfhonderd anderen ingescheept op de Van Imhoff, die vanuit Sibolga vertrok richting Brits-Indië. Zoals zo velen kwamen zij om bij de scheepsramp op 19 januari 1942. Vader Fritz was vanwege zijn hoge leeftijd niet ingescheept en overleed in september 1946 in Jakarta.

 

 

  • Joseph August Martinus Schöppel, geboren 4 september 1910 in Buitenzorg (Bogor); reclametekenaar
  • Conrad Rudolf Schöppel, geboren: 23 april 1919 in Buitenzorg (Bogor); student
Friedrich Boger

Friedrich Boger

Friedrich Karl Boger werd geboren op 24 oktober 1884 in Knittlingen, een stad die destijds bij het Koninkrijk Württemberg, Duitsland, behoorde. De stad ligt ten oosten van Karlsruhe. Friedrich werd op 26 oktober 1884, kort na zijn geboorte, in de Evangelische kerk Leonhardskirche in Knittlingen gedoopt. Zijn ouders, Gottlieb Friedrich Boger en Marie Luise Barth, kregen in totaal drie zoons en vier dochters.

Hoewel Friedrich tot monteur was opgeleid startte hij in 1906 aan zijn opleiding op de Basel Missieschool met personeelsnummer 1790. Na zijn studie werd hij op zending gestuurd naar Kameroen, destijds een Duitse kolonie, waar hij tussen 1912 en 1915 werkte. Tijdens de Eerste Wereldoorlog word Kameroen door de Fransen en de Britten veroverd en Friedrich werd daar tussen 1915 en 1919 geïnterneerd. Na de oorlog, op 18 december 1919, trouwde hij met Helene Breuninger. Zij was geboren op 20 juni 1881 in Backnang, eveneens in het Koninkrijk Württemberg.

Om het zendingswerk voort te zetten besloot hij na de oorlog in dienst te treden van de Utrechtse Zendingsvereniging in Nederland. Een volledige opleiding tot zendeling was niet nodig, omdat hij al in Basel was opgeleid en ervaring had als zendeling. Toch begon hij in oktober 1920 op de Nederlandse Zendingsschool in Oegstgeest waar de studie zich richtte zich op de staatsinrichting in Nederlands-Indië en op het leren van de Nederlandse taal. Na acht maanden rondde hij zijn schooltijd af en hij kreeg op 18 mei 1921, ’s avonds, in de Domkerk in Utrecht, tijdens de 62e jaarvergadering van de vereniging, de algemene instructie uitgereikt en werd als nieuwe zendeling-leraar welkom geheten.

Friedrich en Helene vertrokken op 4 juni 1921 samen vanuit Rotterdam op het stoomschip Insulinde, op weg naar Galela op het eiland Halmahera, het grootste eiland van de Noord-Molukken. Aan deze plaatst verbonden zij hun leven en, buiten het gebruikelijke verlof om, werkten er onophoudelijk aan hun taak: het verspreiden van het evangelie. Hieronder viel ook het opleiding van nieuwe evangelisten.

In 1928 verbleven Friedrich en Helene tijdens hun verlof in Göppingen, Württemberg. Uit de correspondentie tussen Boger en de zendingsdirectie blijkt dat dit verlof was in verband met lichamelijke klachten. Friedrich zelf had wormen en moet een kuur ondergaan. Helene was er blijkbaar minder goed aan toe en had flinke maag- en darmklachten. Ze moest voor een lange behandeling naar Tübingen toe. Hoewel de rust en ontspanning zorgden voor herstel, zouden Friedrich en Helene de jaren erna wel wat gezondheidsklachten houden. Toch keerden ze op 9 april 1929 vanuit Amsterdam per Johan de Witt terug naar Halmahera.

In 1934 schreef Boger over zijn ervaringen met de Islam, waar hij veel mee te maken had. Als protestantse zendeling had hij tot doel om heidenen tot het christendom te bekeren. Maar hij had daarbij ook concurrentie van moslims, toen veelal Mohammedanen genoemd. Er heerste op dat moment een teneur dat het zendingswerk van de Mohammedanen goedkoper was. Zijn artikel in “De Nederlander” van 9 februari 1934 zegt genoeg:

“Wat moeten we nu doen? Moeten we onze goeroes en christenen aanmoedigen in heidense gezinnen te trouwen en weer te scheiden, om zo een paar naamchristenen te winnen? Moeten onze onderwijzers handel drijven zoals de Islamitische Imams, of christenwater verkopen voor ziekten en wonden om aan hun kost te komen?”

Boger wilde hier duidelijk maken dat het protestantse zendingswerk was bedoeld om echte verandering te brengen in de harten en geesten van mensen. En dat islamieten zich in zijn ogen vooral bezig houden met het winnen van aanhangers in naam alleen. Hierbij tolereerden zij dat veel van de oude heidense gebruiken mochten blijven bestaan, zolang iemand zich maar islamiet zou noemen. Boger vond het een onwenselijke situatie.

In 1936 was er opnieuw verlof. Op 13 april vertrok de familie Boger vanuit Galela, eerst per boot naar Makassar en daarna door naar Batavia. Op 6 mei stapten ze opnieuw aan boord van het m.s. Johan de Witt. Op 27 mei ging het echtpaar in Genua van boord en reisden zij per trein verder, eerst naar Göppingen, maar al snel reisde Friedrich alleen door naar Utrecht waar hij de algemene zendingsvergadering bijwoonde. Hij vertelde daar over zijn zendingswerk in Halmahera. Ook bezocht hij Oegstgeest voordat hij terugging naar Göppingen.

Een verlof van één jaar was gebruikelijk, van aankomst tot vertrek. Maar de Bogers kozen ervoor om hun verlof in Duitsland met een maand in te korten, om tijdens hun laatste maand verschillende zendingsposten in Celebes (tegenwoordig Sulawesi) te bezoeken. Tropengenesungsheim in Tübingen had hen beiden “tropenfähig” verklaard, iets waar zij allebei erg opgetogen over waren. Dit betekende zoveel als een gezondheidsverklaring voor arbeid in de tropen. De zending ging akkoord en organiseerde de reis terug. En op 7 april 1937, onder gezag van kapitein B.A. Potjer, vertrok het m.s. Marnix van Sint Allegonde voor zijn reis naar Nederlands-Indië.

In 1938 schreef Friedrich nog over een heftige gebeurtenis. In een dorp werd een vrouw beschuldigd van hekserij door haar buurman wiens kind was gestorven door een ziekte. “Dat moest zijn veroorzaakt voor haar hekserij”, uitte hij. De vrouw klaagde bij het Islamitische dorpshoofd en zei: “Mijn buurman is al 7 jaar in het islamitische geloof, maar hij nog steeds overtuigd dat er zoiets als hekserij bestaat. Als zoiets in jullie geloof nog steeds kan, dan heeft het geen enkele waarde boven onze heidense gebruiken. Dus ik word christen, want daar geloven ze deze heidense dingen niet”. De buurman kreeg een vermaning van het dorpshoofd maar trok zich daar niets van aan. Een paar weken laten wachtte hij zijn buurvrouw op in haar tuin en heeft haar daar vermoord en het lichaam in het bos geworpen. De volgende ochtend liep hij kalm naar het districtshoofd om zijn straf te aanvaarden.

Op 10 mei 1940 werd Boger, net als de meeste andere Duitse mannen, geïnterneerd door de Nederlandse koloniale overheid. Hij werd van zijn woonplaats in Tobelo, op Halmahera, naar Java gebracht. Daar werd hij op het eilandje Onrust geïnterneerd. In de zomer van 1940 werd hij naar de Alasvallei overgeplaatst.

Friedrich Karl Boger stierf op 19 januari 1942. Hij gaat ten onder bij de scheepsramp van de Van Imhoff en werd 57 jaar oud. Zijn vrouw Helene stierf 15 jaar later op 2 augustus 1957. Ze hadden samen geen kinderen.

* Friedrich Karl Boger is geen familie van Wilhem Boger, de tijger van Auschwitz, ondanks een gedeelde achternaam en het feit dat beide mannen in de buurt van elkaar zijn geboren.

Dit portret is samengesteld in samenwerking met Mathijs Valk, die een boek schrijft over o.a. de zending op Sulawesi. Voor aanvullingen of correcties kunt u contact opnemen via info@van-imhoff.com.

 

  • Geboren: 24 oktober 1884
  • Geboorteplaats: Knittlingen, Duitsland
  • Getrouwd met Helene Breuninger
  • Werk: zendeling in de Noord-Molukken